De wachters

Hoofdstuk 8


Hemelse wachters


En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken.
( Genesis 3:24).
Niet alleen de mens wordt door God geroepen en aangesteld om 'een wakende bediening' uit te voeren, ook engelen worden door God hiervoor ingezet.
Nu weten wij dat engelen dienstbaar zijn aan degenen die het heil beërven, dus aan degenen die in Jezus Christus geloven. ( Hebreeën 1:14). Echter, engelen die aan hun oorsprong getrouw zijn gebleven en niet tezamen met Lucifer afvallig geworden zijn ( Judas :6), zijn ook door God bestendigd in hun bediening en roeping.
De mens, die aanvankelijk boven de engelen was gesteld, is door de zondeval deze positie geheel kwijtgeraakt. Maar door geloof in God en door roeping wordt deze positie weer aan de mens hersteld.
Voor ons is dit direct gekoppeld aan onze relatie met Jezus Christus, die Heer(ser) is over alles, dus ook over engelen.
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet? Gij hebt hem voor korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen.
( Hebreeën 2:6-7-8).
God heeft wel het paradijs voor een korte tijd afgesloten met wachters, maar in Jezus Christus deze toegang weer heerlijk ontsloten. Hij IS onze levensboom!
En de lieden, die bij de ingang van het huis waren, sloegen zij met blindheid, van klein tot groot, zodat zij zich tevergeefs moeite gaven om de ingang te vinden.
( Genesis 19:11).
In dit geval zien wij de bediening van engelen om hen te bewaken die God toebehoren. Ondanks het feit dat Lot niet bepaald 'het beste deel des Heren' had gekozen, komen de hemelse wachters tussen beide als goddeloze individuen zich willen vergrijpen aan hen die zich er toch enigszins naar uitstrekken om deel te hebben aan de beloften van God. De poorten van het dodenrijk zullen de gemeente des Heren niet overweldigen. ( Matteüs 16:18).
Dit bevel berust op het besluit der wachters en deze zaak op het woord der heiligen, opdat de levenden mogen weten, dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil, ja zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt.
( Daniël 4:17).
Adembenemend is het ook om te zien met welke autoriteit engelen Gods tezamen besluiten kunnen nemen en uitvoeren.
Natuurlijk gebeurt iets dergelijks in perfecte harmonie met 'God de Allerhoogste', tenslotte zijn deze engelen aan hun oorsprong getrouw gebleven. Zij hebben hun roeping en opdracht niet uit het oog verloren.
Maar als wij in de Bijbel lezen over een dergelijke autoriteit, gegeven aan engelen, hoeveel te meer wil God zijn autoriteit gaan verlenen aan hen die 'wachters zijn boven de engelen'.

Wij leven in een tijd dat God ook deze bediening opnieuw gaat openbaren en herstellen. De schepping zucht en is in barensnood en wacht op het openbaar worden van de zonen Gods! ( Romeinen 8:19-22).
Voor koning Nebukadnezar betekende dit evenwel een tijd van krankzinnige vernedering. Hij was te ingenomen met de hoge positie die hem notabene door God gegeven was.

Laat dit ook een waarschuwing zijn voor iedereen die graag zijn eigen koninkrijkje wil bouwen, ook in het werk des Heren, en Gods erfenis en heerlijkheid als zijn bezit en persoonlijke verdienste wil vasthouden. En wat hebben jullie, dat je niet ontvangen hebt? En als je het dan ontvangen hebt, waarom schep je er dan zo over op, alsof je het niet ontvangen hebt, maar alsof je het door je eigen bekwaamheid verdiend, verworven, en tot je eigen bezit gemaakt hebt? (1 Korintiërs 4:7, versterkt weergegeven).

De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
( Matteüs 13:41-42).
Er komt een tijd, en wie zegt dat het niet nú al is, dat Jezus zelf wachters van de hemel stuurt ter vernieting van 'de poorten van het dodenrijk' die zich zo inspannen om Gods gemeente te overweldigen. Op zo'n moment wordt er terecht uitgeroepen:
Hoe vreselijk is het om te vallen in de handen van de levende God!( Hebreeën 10:31).

Natuurlijk zijn er gelovigen die niets moeten hebben van dergelijke dreigende uitspraken, ook al staan zij in de Bijbel. Waarschijnlijk zullen zij het eerst vallen in deze handen. Zij hebben niet gewaakt!
Wij hoeven momenteel niet veel moeite te doen om de realiteit van Gods handelen in dit opzicht waar te nemen. Degene echter die het zich erg aantrekt en er bedroefd van wordt, mag zich getroost weten met het uiteindelijke doel wat God met dit handelen heeft:

Powered by Website Baker